Menu Sluiten

Frederik Willem I

De zoon van keurvorst Frederik III van Brandenburg en van Sophie Charlotte van Hannover, Frederik Willem I werd op 15 augustus 1688 in Berlijn geboren. In 1701 werd zijn vader door Keizer Karel VI tot koning van Pruisen benoemd. Opgegroeid aan een hof dat streefde naar een cultus en een niveau van materieel vertoon die zijn middelen te boven gingen, weigerde Frederik Willem deel te nemen aan het elegante leven om hem heen en bracht hij zijn vrije tijd door met jagen en het drinken van grote hoeveelheden bier. Toen hij na de dood van zijn vader in 1713 de troon besteeg, verhuisde hij zijn huishouden naar een handvol kamers in de hoek van het paleis; de rest van het reusachtige bouwwerk werd in gebruik gegeven aan verschillende ministeries en de lusthoven werden omgetoverd tot paradeplaats. Voortaan zouden hard werken, spaarzaamheid en de stem van de drilsergeant hun stempel drukken op Pruisen.

deels uit bezuinigingsoverwegingen, deels omdat hij niemand vertrouwde, was Frederik Willem vastbesloten een zuiver persoonlijke regering in te stellen. De ministers van zijn vader werden ontslagen, en hun opvolgers moesten hun rapporten schriftelijk aan de koning overhandigen. Alle belangrijke beslissingen werden dus uiteindelijk door Frederik Willem zelf genomen.

Frederijk Willem was op de troon gekomen in de overtuiging dat Pruisen dreigde te worden opgeslokt door zijn machtigere buren. Vastbesloten om dit te voorkomen, begon hij zijn leger te versterken. In 1715 nam hij opnieuw deel aan de Grote Noordse Oorlog tegen Zweden. Maar hoewel deze veldtocht resulteerde in de verovering van een deel van westelijk Pommeren, waren de tekortkomingen van het kleine (minder dan 40.000) Pruisische leger overduidelijk. Omdat hij de Pruisische adel niet van zich wilde vervreemden, die erop stond dat zijn boeren niet van hun verplichte arbeid konden worden vrijgesteld om militaire dienst te doen, concentreerde Frederik Willem zich op het inhuren van troepen in het buitenland. Pas in 1733 voerde hij het kantonnensysteem in, waardoor regimenten konden rekruteren onder de boeren en ambachtslieden van hun thuisdistricten. Aan het eind van zijn bewind was het leger in omvang verdubbeld en kwam het in aantal op de tweede plaats na het keizerlijke leger. Tweederde van de Pruisische militairen waren echter buitenlanders.

Om zijn strijdkrachten te financieren, stelde Frederik Willem nieuwe overheidsprocedures in werking, zowel voor de besteding als voor de inning van de inkomsten. Het eerste gebeurde door de oprichting van het Algemeen Directorium van Financiën (1723), dat alle verzoeken om geld moest goedkeuren. Dit laatste werd bereikt door de feodale heffing (een aanslag die de adel in de praktijk niet meer oplegde) te vervangen door een belasting op grond in het bezit van de edelen; door de belastingen efficiënter te innen bij de boeren; en door accijnzen te heffen, niet alleen op luxe invoer zoals koffie, thee en suiker, maar op de meeste basislevensmiddelen. Door deze maatregelen steeg het jaarlijkse inkomen van de staat met 250 procent.

Naast een algemeen consolidatieproces waren de bestuurlijke hervormingen die deze financiële winsten mogelijk maakten, grotendeels operationeel van aard. Verantwoordelijkheidssferen werden gedefinieerd, en specifieke ambtenaren werden verantwoordelijk gemaakt voor het functioneren van verschillende departementen; in het kort, een klasse van amateur, part-time ambtenaren werd omgevormd tot een staat dienende bureaucratie, bemand met nieuw gekastijdde edellieden aan de top en gepensioneerde onderofficieren aan de onderkant. Er werden ook kleine gerechtelijke hervormingen doorgevoerd en beperkte pogingen ondernomen om het lot van de boeren in de kroonlanden te verbeteren. Zo’n 17.000 uit Salzburg verdreven protestanten vestigden zich in Oost-Pruisen, wat die onderbevolkte provincie aanzienlijk ten goede kwam.

In de tweede helft van de jaren 1730 was het voor de meeste hedendaagse waarnemers duidelijk dat het werk van 20 jaar een formidabel leger had opgeleverd, gesteund door een volle schatkist. Maar de Koning, ondanks een zich ontwikkelende ruzie met het keizerrijk over de provincie Berg, kon niet worden overgehaald om zijn middelen te gebruiken. Zijn laatste jaren werden gedomineerd door een steeds bizarre bezorgdheid over zijn paleiswacht van reuzen en door een hardnekkige ruzie met zijn zoon en erfgenaam, Frederik. Frederik Willem I stierf in Potsdam op 31 mei 1740.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *